\n Op deze pagina vind je de volledige handreiking over methodisch werken met Eva. Dit wordt aan de\n hand van vier stappen uitgelegd. Deze handreiking is ook\n \n beschikbaar als pdf\n .\n
\n\n Neem contact op met onze servicedesk via\n servicedesk@inlichtingenbureau.nl\n
\n\n Of kijk voor achtergrondinformatie op:\n \n www.inlichtingenbureau.nl/Beleidsterreinen/Werk-en-Bestaanszekerheid/Re-integratie/Dennis-Eva\n \n
\n\n Eva wordt continu doorontwikkeld. Het kan daarom zijn dat deze handleiding inmiddels\n achterhaald\n is. De meest recente versies van alle ondersteuningsmaterialen zijn te vinden op\n \n de website van VNG Realisatie.\n \n
\n\n Om werkzoekenden optimaal te laten ontwikkelen is individueel maatwerk nodig. De\n haalbare eerstvolgende stap is voor iedere persoon anders en vraagt daarmee een andere aanpak.\n Daarom hebben gemeenten een rijk aanbod aan instrumentarium om in te zetten, passend bij de\n verschillende personen in het werkzoekendenbestand. Maar hoe houd je overzicht, hoe weet je wat je\n in kunt zetten en onder welke voorwaarden? Welke instrumenten zijn effectief? Om gemeenten en\n samenwerkingsverbanden hierin te ondersteunen, faciliteert VNG gemeenten met de digitale\n instrumentengids Eva. Eva staat voor effectief, vakbekwaam en actueel. Eva is ontwikkeld door VNG,\n in samenwerking met gemeenten, TNO, Sam en Divosa. We werken hierin samen om effectief gebruik van\n instrumenten te ondersteunen en deze kennis te verspreiden.\n
\n\n Eva is een digitale ondersteuningstool, die gemeentelijke organisaties zelf kunnen\n vullen met lokale instrumenten die bijdragen aan maximaal meedoen en/of de begeleiding\n naar werk. Door\n middel van filters en zoekfuncties kunnen professionals in één oogopslag zien welke\n instrumenten\n beschikbaar zijn voor een specifieke werkzoekende. Naast maatwerk faciliteert Eva ook\n beleidsmatige\n verbeteringen door het aanbod inzichtelijk en transparant te maken. Er wordt zichtbaar\n of het\n instrumentenaanbod optimaal is en hoe deze instrumenten worden beoordeeld door de\n professionals.\n
\n\n Deze handreiking is ontwikkeld omdat veel gemeenten behoefte hebben aan eenzelfde manier\n om hun\n instrumenten weer te geven in Eva. Om ervoor te zorgen dat iedere gemeente eenzelfde\n ‘taal’ hanteert bij\n de beschrijving van de instrumenten is een instrumentenformat ontwikkeld dat is ver-\n werkt in Eva.\n Hierdoor worden instrumenten volgens een standaard opbouw ingevoerd in Eva. De\n beschrijving van de\n instrumenten via het instrumentenformat sluit aan bij inzichten vanuit de weten-\n schappelijke\n literatuur. Door de gestandaardiseerde opbouw kunnen professionals vervolgens een-\n voudig zoeken naar\n aanbod passend bij de betreffende klant. Deze handreiking is primair geschre- ven voor\n re-integratie\n professionals (klantmanagers). Aan de hand van vier stappen wordt methodisch werken met\n Eva uitgelegd.\n Vervolgens wordt de geadviseerde manier van zoeken in Eva uitgelegd.\n Ondersteuningsmateriaal voor andere\n onderdelen is te vinden op\n \n de website van VNG Realisatie.\n \n
\n\n Let op:\n Deze handreiking gaat niet in op de verschillende functionaliteiten van de voorkant, dus\n de front end, van Eva. Er is een aparte handleiding geschreven over hoe te werken met\n Eva, zoals inlog- gen en bijvoorbeeld zoeken en filteren getiteld: “Handleiding Eva voor\n klantmanagers”. Deze is te vinden op\n \n de website van VNG Realisatie.\n \n
\n\n Deze handreiking is tot stand gekomen tijdens een pilot, naar aanleiding van vier\n focusgroepbijeen-\n komsten met de subgroep ‘Eenheid van Taal’, onder leiding van TNO en VNG. In deze\n subgroep\n participeerden zes gemeentelijk organisaties, namelijk: Amsterdam, BBS UO, Dalfsen, Den\n Haag, RSD de\n Liemers en Werkzaak Rivierenland. De resultaten van de focusgroepen zijn verwerkt in het\n Eva\n instrumentenformat en daarnaast geaccordeerd door de Werkgroep Eva van VNG.\n
\n\n In deze handreiking wordt gebruik gemaakt van de term klant (cliënt, burger,\n werkzoekende, …):\n
\n\n Een klant is een inwoner die in het kader van de Participatiewet begeleid wordt bij\n het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid, een re-integratie traject,\n vrijwilligerswerk of\n scholing.\n
\n\n Daarnaast wordt er in deze handreiking geschreven over de professional (klantmanager,\n regisseur, werkcoach, werkconsulent, …):\n
\n\n Een professional is de persoon die de klant vanuit de gemeente ondersteunt.\n
\n\n Eerst beschrijven we in deze handreiking wat een instrument inhoudt en wat er wordt\n verstaan onder kenmerken in het instrumentenformat. Hierbij wordt een onderscheid\n gemaakt tussen meer inhoudelijke kenmerken – basiskenmerken – en praktische kenmerken.\n Vervolgens beschrijven we hoe een professional methodisch kan werken met Eva door via de\n kenmerken te zoeken naar instrumenten in Eva. In bijlage 1 wordt een beschrijving\n gegeven van de theoretische modellen die de basis vormden voor de kenmerken gericht op\n de klant van het instrumentenformat.\n
\n\n Een instrument is een middel dat op tijdelijke basis ingezet wordt om een\n vastgesteld doel te bereiken binnen het ontwikkeltraject richting werk,\n participatie, ondernemerschap of scholing van de klant.\n
\n\n Het gaat bij een instrument om wat je extra inzet om de klant zich verder te laten\n ontwikkelen richting werk of participatie. De gespreksvaardigheden/het handelen van\n de professional zijn geen instrumenten op zich. Gemeentelijke organisaties kunnen\n Eva zelf vullen met (lokale) instrumenten.\n
\n\n De instrumenten in Eva worden beschreven op verschillende kenmerken. We\n onderscheiden daarin basiskenmerken en praktische kenmerken.\n
\n\n Zie Figuur 2 voor een overzicht van alle basiskenmerken en praktische kenmerken van\n het instrumentenformat.\n
\n\n Het gebruik van Eva is onderdeel van methodisch werken door de professional. Methodisch\n werken bestaat uit een systematische, doorzichtige en doelgerichte manier van werken,\n met regelmatige evaluaties om klanten te begeleiden. Het is gebaseerd op de\n Plan-Do-Check-Act (PDCA) - cyclus. Op basis van de PDCA-cyclus bestaat methodisch\n werken uit vier stappen die de professional bij de begeleiding van een klant telkens\n doorloopt. Figuur 3 geef deze vier stappen weer.\n
\n\n In stap 1 ‘voorbereiding en diagnose’ moet er eerst een klantbeeld worden gevormd door\n informatie te verzamelen (via de melding, het gesprek tussen klant en professional en\n mogelijke diagnostiek), een eerste screening van deze gegevens en tot slot de\n interpretatie van deze gegevens. Vervolgens is het in stap 2 ‘opstellen trajectplan’\n aan de professional en de klant om te bespreken wat dit klantbeeld inhoudt m.b.t. werk\n zoeken en participatie in de maatschappij. Zijn er bijvoorbeeld bepaalde\n aandachtspunten zodanig belemmerend dat eerst hieraan gewerkt moet worden of kan er\n direct passend werk of mogelijkheden tot participatie gevonden worden? In stap 3 wordt\n het trajectplan uitgevoerd, gemonitord en eventueel bijgestuurd. Tot slot wordt in\n stap 4 door de professional teruggeblikt op de gevolgde werkwijze eventueel met\n collega’s en/of klanten om na te gaan wat wel of juist niet werkte in het traject en de\n ingezette instrumenten.\n
\n\n Eva helpt bij verschillende stappen van methodisch werken. De basiskenmerken\n tegels van het werklandschap Eva en klantkenmerken \n worden gebruikt om instrumenten te selecteren bij de verschillende stappen. Bij stap 1\n ‘voorbereiding en diagnose’ kan via Eva gezocht worden naar diagnose instrumenten om het\n klantbeeld aan te vullen. Hiervoor kan men de tegel ‘diagnostiek’ selecteren uit het\n basiskenmerk ‘tegels van het werklandschap Eva’. Men kan naar specifieke diagnose\n instrumenten zoeken door ook één of meer klantkenmerken te selecteren, zoals een\n aandachtspunt of vaardigheden. Eva ondersteunt vooral bij stap 2 door instrumenten te\n vinden die passen bij de kenmerken van het klantbeeld verkregen in stap 1, waar de\n professional en klant in onderling overleg aan willen werken.\n
\n\n Via Eva kan in stap 2 gezocht worden naar passende instrumenten die aansluiten op de\n situatie van de klant op dat moment. Eva is ook nadrukkelijk bedoeld om de klant te\n betrekken bij het vaststellen van doelen en de keuze voor een instrument. Zowel het\n klantbeeld (stap 1) als de instrumenten (stap 2) worden beiden beschreven door de\n basiskenmerken ’tegels van het werklandschap Eva’ en ‘klantkenmerken’. Op deze manier\n leggen de basiskenmerken de verbinding tussen het klantbeeld (stap 1) en de in te zetten\n instrumenten (stap 2). De tegels bepalen welk persoonlijk pad de klant bewandelt\n richting werk of participatie, waar de klant zich nu bevindt en waar de klant naar toe\n wil. De klantkenmerken geven aan waaraan gewerkt kan worden om richting de volgende\n tegel te gaan.\n
\n\n In stap 3 ‘uitvoeren trajectplan’ wordt gekeken of het ingezette instrument aan het\n gestelde doel beantwoordt. Indien dit niet of onvoldoende het geval is, kan opnieuw een\n ander instrument gezocht worden om het doel te bereiken. Of als het doel behaald is kan\n een ander doel gesteld worden en een bijbehorend instrument gezocht worden. In het\n uitvoeren van het trajectplan wordt het klantbeeld steeds aangevuld en worden\n bijbehorende instrumenten gezocht door de tegels en klantkenmerken te combineren.\n
\n\n In stap 4 ‘terugblik op werkwijze’ vindt een evaluatie op de gestelde doelen plaats. De\n professional evalueert eventueel met collega’s en/of klanten het gevolgde traject en de\n ingezette instrumenten om hiervan te leren. Dit proces kan ondersteund worden door een\n beoordelingsfunctionaliteit (review functie) in Eva. Instrumenten kunnen individueel\n beoordeeld worden in Eva aan de hand van een vijfsterrensysteem. Deze\n beoordelingsfunctionaliteit helpt om na te denken over het effect van het ingezette\n instrument. Op termijn zal er daardoor onderscheid ontstaan tussen goed beoordeelde en\n minder goed beoordeelde instrumenten.\n
\n\n Hieronder beschrijven we hoe Eva gebruikt kan worden om instrumenten te zoeken. Het\n dringende advies is om hierin twee stappen te volgen. Selecteer in stap 1 eerst\n instrumenten aan de hand van de basiskenmerken en verfijn de selectie\n in stap 2 aan de hand van de praktische kenmerken. In Figuur 3 zijn\n deze stappen terug te vinden in de roze blokken. In\n Figuur 3 is ook te zien hoe deze kenmerken zich verhouden tot de stappen van het\n methodisch werken met Eva als geheel zoals hierboven beschreven. Het advies om in twee\n stappen te zoeken is tot stand gekomen in overleg met professionals van verschillende\n gemeenten die deelnamen aan de focusgroepbijeenkomsten in de pilotfase.\n
\n\n Let op: Deze handreiking gaat niet in op het gebruik van de voorkant\n van Eva zelf. Bijvoorbeeld waar op te klikken en hoe een filter te selecteren om\n instrumenten te vinden. Hierover is een aparte handleiding geschreven getiteld:\n “Handleiding Eva voor de klantmanager”. Deze is te vinden op\n \n de website van VNG Realisatie.\n \n
\n\n In Eva kunnen één of meer tegels worden geselecteerd van het\n werklandschapom te bepalen waar de klant staat en naartoe wil. Bij het\n selecteren van één of meer tegels worden de instrumenten getoond die onder deze tegel(s)\n vallen. Het tweede basiskenmerk klantkenmerken gaat over kenmerken van\n de klant die invloed hebben op het meedoen in de maatschappij, vinden en behoud van\n werk. Als je een klantkenmerk selecteert zie je instrumenten die betrekking hebben op\n dat betreffende kenmerk. Ook kunnen tegels en klantkenmerken gecombineerd worden door\n tegels en kenmerken tegelijkertijd te selecteren. Door tegels te combineren met\n klantkenmerken kan er preciezer gezocht worden naar instrumenten. Door met deze twee\n basiskenmerken te zoeken naar instrumenten worden instrumenten gevonden worden die\n ondersteunen bij het zetten van de volgende stap die de klant en de professional hebben\n afgesproken. Zie bijlage 2 en bijlage 3 voor een overzicht van de basiskenmerken.\n
\n\n Nadat men via de basiskenmerken instrumenten heeft geselecteerd kan er nog verder\n gespecificeerd worden op praktische kenmerken. Dit is informatie over het instrument,\n zoals een beschrijving van het instrument, wie de aanbieder is, de locatie, de duur, de\n kosten en hoe je iemand kunt aanmelden. Als een instrument geschikt is voor een\n specifieke doelgroep kan hierop ook verder gespecificeerd worden. Zoals hierboven\n beschreven is het advies om praktische kenmerken als laatste stap te specificeren. Deze\n geadviseerde volgorde (stap 1: basiskenmerken en stap 2: praktische kenmerken) leidt\n ertoe dat er instrumenten ingezet worden die passen bij de doelen die de klant en de\n professional willen realiseren. Zie bijlage 4 voor een overzicht van de praktische\n kenmerken.\n
\n\n Het ‘Integrative Model of Behavioral Prediction’ (Fishbein, 2008; Fishbein &\n Ajzen, 2010 *) is een model dat\n uitgebreid is getest en toegepast op verschillende onderwerpen en gedragingen, ook\n op het werk zoeken en vinden (bijv. Blonk 2018; Van Hooft, 2016). De versie van het\n integratieve gedragsmodel (IGM) van Blonk (2018) weergegeven in figuur 4 wordt\n gebruikt. Het IGM hanteert de drie kernbegrippen die in de re-integratie van mensen\n met een kwetsbare arbeidsmarktpositie centraal staan: motivatie, gedrag en\n perspectief ofwel willen, kunnen en het te bereiken en vast te houden doel. Het\n model beschrijft hoe deze begrippen samenhangen en de concepten die daarop van\n invloed zijn. Het willen oftewel de zoekintentie wordt beïnvloed door drie\n concepten: attitude, sociale norm en eigen-effectiviteit:\n
\n\n Om van willen naar doen te gaan zijn drie concepten van belang: vaardigheden,\n zelfregulering en belemmeringen. Interessant aan het IGM is dat het aangeeft dat\n aangrijpen op veranderbare concepten een kernaspect is van het begeleiden naar werk\n of participatie van klanten (wat) en dat je dat op verschillende manieren kan doen\n (hoe). Het IGM is een model waarmee de situatie en omstandigheden van de klant\n inzichtelijk kunnen worden gemaakt, het helpt de professional de informatie over de\n klant te wegen en op basis daarvan de interventies te structureren (Boermans, Van de\n Logt & Blonk, 2020).\n
\n\n *) Dit model is de opvolger van het model van gepland gedrag\n (Ajzen, 1991)\n
\n\n Het concept belemmeringen uit het IGM is aangevuld met het model van kwetsbaarheid\n van Wanberg, Hough, en\n Song (2002). Figuur 5 geeft weer dat vijf van de zeven concepten van dat model\n betrekking hebben op\n kenmerken van het individu (Menselijk Kapitaal, Sociaal Kapitaal, Economische\n beloning, Belemmeringen\n (praktisch, psychisch, fysiek, verstandelijk) en twee concepten hebben betrekking op\n werkgevers\n (Discriminatie, Vraagversterking arbeidsmarkt).\n
\n\n Ajzen I. (1991). The theory of planned behavior. Organizational Behavior and Human\n Decision Processes, 50(2), 179-211.\n
\n\n Blonk, R.W.B. We zijn nog maar net begonnen. Oratie Tilburg University. 2018.\n
\n\n Boermans, S., Van de Logt, J., Blonk, R.W.B. (2020). Gewogen maatwerk. Onderzoek\n naar implementatie van een interventie om methodisch handelen te bevorderen. Rapport\n voor ZonMw Programma Vakkundig aan het Werk. TNO: Leiden. Publ. Nr. 11492/060.42456\n
\n\n Fishbein, M., & Ajzen, I. (1975). Belief, attitude, intention and behavior: An\n introduction to theory and research. Reading, MA: Addison - Wesley.\n
\n\n Fishbein, M. (2008). A reasoned action approach to health promotion. Medical\n Decision Making, 28(6), 834-844.\n
\n\n Fishbein, M., & Ajzen, I. (2010). Predicting and changing behavior: The reasoned\n action approach. Taylor & Francis.\n
\n\n Van Hooft, E.A.J. (2016). Motivation and self-regulation in job search: A theory of\n planned job-search behavior. In U.-C. Klehe, & E.A.J. van Hooft (Eds.), Oxford\n Handbook on Job Loss and Job Search. New York: Oxford University Press.\n
\n\n Wanberg, R.C., Hough, L.M., & Song, Z. (2002). Predictive Validity of a\n Multidisciplinary Model of Reemployment Success. Journal of Applied Psychology, 87,\n 1100-1120.\n
\n\n \n Hieronder worden de verschillende tegels van het werklandschap voor\n werkzoekenden (Eva) beschreven. Eén instrument kan meerdere tegels hebben.\n \n
\n\n Een klant meldt zich bij de gemeente met het verzoek tot ondersteuning naar\n participatie of werk. Vaak gaat deze aanvraag gepaard met een aanvraag voor\n een inkomensondersteuning.\n Persoonlijk contact is hierbij essentieel. Klanten komen met een hulpvraag\n en hebben hiervoor vaak al een drempel moeten overwinnen.\n Het is daarom van belang dat de toegang laagdrempelig is en de professional\n een open houding heeft. De professional noteert basisgegevens eenmalig en\n registreert deze voor meervoudig gebruik. Naast de direct voorliggende vraag\n is de professional ook alert op andere (acute) problemen en signalen die\n voorkomen bij kwetsbare groepen. Bijvoorbeeld laaggeletterden of jongeren\n met beperkingen die de overstap maken van school naar werk. Bij dergelijke\n signalen neemt de professional actie of draagt de klant warm over naar het\n juiste loket. De professional is zorgvuldig en concreet, zodat de klant zich\n begrepen en goed geholpen voelt.\n
\n\n Bij de intake gaat de professional dieper in op de hulpvraag van de klant.\n De professional verdiept zich in en maakt een analyse van de informatie die\n al bekend is en bespreekt de huidige situatie met de klant op de\n verschillende levensgebieden, mogelijkheden, belemmeringen, motivatie,\n drijfveren, werk- en opleidingsachtergrond. Daarna stelt de professional een\n (eerste) klantbeeld op.\n Op basis van één of meer (1 tot 4) gesprekken wordt het klantbeeld gevormd\n en zet de professional instrumenten in voor de klant die bijvoorbeeld het\n vertrouwen in eigen versterken en daarmee perspectief bieden op\n (arbeids)participatie. Het klantbeeld is niet statisch, maar continu in\n ontwikkeling door bijvoorbeeld nieuwe informatie, gebeurtenissen in het\n leven van de klant en/of door de inzet van instrumenten. Na de inzet van een\n instrument evalueert de professional samen met de klant wat het effect is op\n het klantbeeld en past deze aan. Vervolgens wordt op basis van het nieuwe\n klantbeeld bepaald wat een volgend passend instrument is.\n
\n\n Om naar vermogen mee te kunnen doen in de maatschappij, moeten er een aantal\n leefgebieden in de basis op orde zijn. De Zelfredzaamheidmatrix (ZRM) geeft\n een overzicht van de leefgebieden die kunnen worden uitgevraagd. De\n diagnostische informatie is de basis voor verdiepende gesprekken. Hierbij is\n er aandacht voor de basisvaardigheden, want deze zijn noodzakelijk om\n maatschappelijk mee te kunnen doen. Als het nodig is, wordt integrale\n samenwerking gezocht in het brede sociaal domein en met andere lokale\n maatschappelijke partners.\n Maatschappelijk fit kan een opstap zijn naar betaald werk, maar betaald werk\n is niet voor iedereen haalbaar. Dan is participatie het hoogst haalbare.\n Bijdragen naar vermogen vereist zorgvuldig bepalen wat haalbaar is.\n
\n\n Zowel de arbeidsmarkt als klanten ontwikkelen zich. Bij deze tegel\n onderzoekt de professional samen met de klant wat een passende (loop)baan is\n en wat de kansen zijn op de huidige arbeidsmarkt. Dit kan door middel van\n testen, stages, netwerkgesprekken, oefeningen, huiswerk (opgaven) en gebeurt\n vaak stapsgewijs. De uitkomst biedt een richting en perspectief om werk of\n een opleiding te vinden en wordt daarmee onderdeel van het klantbeeld.\n
\n\n Het doel van werk fit is klanten te versterken om betaald werk of een\n opleiding te kunnen doen.\n Op basis van het klantbeeld wordt gewerkt aan verschillende vaardigheden,\n aan het verder ontwikkelen van talenten en aan het omgaan met/oplossen van\n belemmeringen. Dit gebeurt vanuit een eerstvolgende haalbare stap in de\n ontwikkeling die de klant kan maken en kan parallel lopen met de tegels\n Oriënteren en Opleiden (leerwerktrajecten). Belangrijk is dat de klant deze\n stap succesvol behaalt, wat bijdraagt aan het versterken van het\n zelfvertrouwen. Waar mogelijk wordt het leren van de verschillende\n vaardigheden geïntegreerd met (onbetaald) werk.\n Voortdurend wordt het klantbeeld uitgebreid, aangepast en vastgelegd.\n
\n\n Taken en functies veranderen door de continu veranderende arbeidsmarkt.\n Hierdoor is een ‘leven lang leren’ noodzakelijk geworden. Om aan het werk te\n komen en blijven is (bij)scholing nodig.\n Opleiden kan in verschillende vormen:\n
\n\n De professional weegt het geheel aan diagnostische informatie, affiniteiten\n en competenties van de klant en koppelt deze aan vacatures en/of werkgevers.\n Vacatures kunnen al vacante plekken zijn, maar ook toekomstige vacatures.\n Toekomstige vacatures bieden meer kansen voor de doelgroep van de\n participatiewet, omdat er voorbereidingstijd is. Toekomstige vacatures\n kunnen ontstaan door groei van een bedrijf, aanpassing van bedrijfsprocessen\n en verwacht verloop door onder andere pensionering en opleiding van het\n huidige personeel. Denk hierbij ook aan de details zoals de match tussen\n persoonlijke aspecten/affiniteiten, werkomstandigheden en cultuur van het\n bedrijf. Bij hetzelfde beroep kan de functie in het ene bedrijf anders zijn\n dan in het andere.\n Belangrijk is om in affiniteiten, talenten, competenties en leervermogen te\n denken in plaats van in behaalde opleidingen en werkervaring. Het is daarom\n belangrijk dat werkgevers vacatures ook in competenties beschrijven.\n
\n\n De professional bespreekt op basis van de mogelijkheden van de klant en de\n plaatsingsafspraken met de werkgever welke ondersteunde voorzieningen zorgen\n voor de beste kans van slagen op een duurzame match. De professional heeft\n hierin een informerende, adviserende en bemiddelende rol. De professional\n bespreekt daarbij de valkuilen en afbreekrisico’s met de werkgever en de\n klant. Zij bespreken wat nodig is om de plaatsing duurzaam te laten slagen\n en maken afspraken over de nazorg.\n Belangrijk aandachtspunt is om de klant zoveel mogelijk te betrekken bij de\n afspraken.\n
\n\n Om de kans te vergroten dat de klant aan het werk blijft, is het van belang\n dat er nazorg wordt geboden als dat nodig is. Dit kan gaan om ondersteuning\n aan de klant, de werkgever en/of collega’s. De duur, intensiteit en inhoud\n zijn afhankelijk van de behoefte. Dit kan variëren van monitoring door\n nabellen tot intensieve structurele begeleiding.\n Sommigen gemeenten doen dit zelf, anderen kopen jobcoaching en/of andere\n ondersteuning in.\n Voor werkgevers is de sleutel voor duurzame plaatsingen continuïteit, één\n aanspreekpunt, weinig wisselingen in de contactpersoon en snelle (re)actie\n in de nazorg.\n Nazorg betekent ook tijdig handelen wanneer de plaatsing niet succesvol is,\n op zijn einde loopt of wanneer de klant de werkplek ontgroeit.\n
\n\n \n De klantkenmerken zijn gebaseerd op het IGM en het Model van Wanberg (zie Bijlage 1)\n en praktisch vertaald in samenwerking met de deelnemende gemeenten. Hieronder worden\n de verschillende klantkenmerken beschreven. Eén instrument kan meerdere\n klantkenmerken hebben.\n \n
\n\n\n Dit kenmerk richt zich op het ondersteunen van de klant bij de beroepskeuze en\n een\n oriëntatie op de arbeidsmarkt. Denk bijvoorbeeld aan een bedrijfsbezoek,\n snuffelstage, beroepskeuze-/affiniteitentest of branchegerichte leerlijnen.\n
\n\n Naar werk willen zoeken of willen participeren is de eerste stap naar werk of\n participatie. Volgens het integratieve gedragsmodel (zie Figuur 3 in de bijlage)\n wordt willen of motivatie beïnvloed door drie aspecten. (1) De houding, oftewel\n de verwachte voor- en nadelen van werken / participeren (‘wat levert het me\n op?’). (2) Sociale norm, oftewel wat vinden anderen wat je moet doen en wat doen\n anderen in mijn omgeving. Als veel anderen niet werken in iemands omgeving dan\n lijkt dat de norm. (3) Geloof in eigen kunnen, namelijk dat je denkt dat je het\n kunt doen. Je hebt er vertrouwen in dat je werk vindt of zal participeren. De\n motivatie kan meer uit iemand zelf komen, zoals leuk werk vinden (‘intrinsiek’)\n of meer van buitenaf, zoals geld verdienen met werk (‘extrinsiek’). Mocht een\n klant bijvoorbeeld onvoldoende motivatie hebben om werk te vinden, dan kan\n deelname aan een werkervaringsplek bijvoor- beeld positieve invloed hebben omdat\n de klant anderen ziet werken en het ‘geloof in eigen kunnen’ wordt versterkt.\n
\n\n Het sociale netwerk, zoals familie, vrienden, kennissen, maar ook de\n begeleidende professional(s), kan een grote rol spelen bij het ondersteunen van\n een klant bij het zoeken, vinden en behouden van werk. Er zijn klanten waar een\n sociaal netwerk afwezig is en die in een isolement verkeren. Het is goed om in\n kaart te brengen wie in de omgeving aanwezig is om de klant te ondersteunen.\n Onder dit kenmerk kunnen dus instrumenten worden geplaatst die klanten\n ondersteunen bij het verstevigen of inzetten van het sociale netwerk en die de\n klant stimuleren om deel te nemen aan de maatschappij. Daarbij kan een\n onderscheid worden gemaakt tussen praktische steun en emotionele steun. Bij\n praktische steun kan gedacht worden aan alle vormen van hulp/ondersteuning\n vanuit het sociale netwerk op praktisch gebied. Denk bijvoorbeeld aan\n hulp/ondersteuning bij het vinden van advertenties, het geven van tips voor\n schrijven van sollicitatiebrieven, of de klant wegbrengen naar een\n sollicitatiegesprek. Emotionele steun is dat mensen in het sociale netwerk\n iemand aanmoedigen om werk te vinden, complimenten geven als dingen goed gaan,\n maar ook ondersteunen bij het uiten van verdriet en teleurstelling.\n
\n\n Dit kenmerk is van belang op het moment dat de klant moeite heeft om richting te\n geven aan zijn of haar leven, of om doelen te stellen en deze doelen vervolgens\n te bereiken. Hierbij wordt rekening gehouden met de eigen sterke en zwakke\n kanten, interesses, waarden en ambities. Om de gestelde doelen te bereiken is\n het belangrijk om te kunnen reflecteren op het eigen gedrag, om te kunnen gaan\n met feedback, om te kunnen gaan met teleurstellingen en tegenslagen en in staat\n zijn om een alternatief plan te bedenken om je doel te bereiken. Instrumenten\n gericht op bijvoorbeeld het stellen van doelen, reflectie op het eigen gedrag en\n omgaan met bepaalde teleurstellingen en tegenslagen kunnen de klant ondersteunen\n om meer richting te geven aan zijn of haar (werk)leven.\n
\n\n Psychische aandachtspunten hebben te maken met de invloed van iemands\n gevoelens en gedachten op zijn of haar functioneren. Men kan negatieve\n gevoelens ervaren (bijvoorbeeld somberheid, boosheid of angst, een\n omslaand humeur), minder goed cognitieve taken uitvoeren (bijvoorbeeld\n slechter concentreren, onthouden en denken), slechter omgaan met stress\n (bijvoorbeeld minder goed prikkels aan kunnen), te maken krijgen met\n dwanggedachten en minder goed plannen en organiseren. Sociale\n aandachtspunten gaan over hoe iemand met andere mensen of instanties\n omgaat. Bij psychosociale aandachtspunten spelen zowel de psychische\n als sociale aandachtspunten die elkaar ook kunnen versterken.\n
\n\n Lichamelijke aandachtspunten gaan over beperkingen op fysiek vlak. Denk\n bijvoorbeeld aan beperkingen op het gebied van structurele, frequente of\n langdurige belastbaarheid. Of beperkingen op het gebied van reiken,\n buigen, duwen of trekken, tillen of dragen, lopen, zitten of staan,\n lopen, werken op hoogte; zicht en horen; fijne motoriek, fijn werk\n kunnen doen en handelingstempo; snelheid van werken of handelen. Ook\n kunnen er beperkingen zijn op het gebied van leefstijl. Denk\n bijvoorbeeld aan een gebrek aan beweging, gezondheidsproblemen door\n roken, slechte voeding, weinig slapen, of veel stress.\n
\n\n Praktische aandachtspunten gaan over beperkingen met betrekking tot de\n praktische voorzieningen waar een klant over beschikt. Denk bijvoorbeeld\n aan: kinderopvang, mantelzorg, mobiliteit/vervoer, schulden,\n justitie/detentie, huisvesting/woonsituatie (bijvoorbeeld dakloosheid,\n dreigende huisuitzetting, ernstige geluid- of stankoverlast,\n onveiligheid, afsluiting van gas en licht, niet meer in je huis kunnen\n wonen omdat aanpassingen nodig zijn), cultuuraspecten, en praktische\n gevolgen van verslaving (alcoholgebruik, drugsgebruik, gok-, game- en\n koopverslaving).\n
\n\n Dit zijn Nederlands lezen en schrijven; Nederlands kunnen verstaan en spreken\n (A1\n (basis), A2, B1, B2 etc.); rekenen; digitale vaardigheden. Gaat onder meer over\n laaggeletterdheid.\n
\n\n Relevante sociale vaardigheden zoals communiceren, samenwerken, overleggen en\n afspraken nakomen. Netwerken en relaties kunnen opbouwen. Culturele vaardigheden\n gaan over het effectief kunnen leren, werken en leven met mensen van\n verschillende etnische, sociale en culturele achtergronden (“burgerschap”).\n
\n\n Relevante vaardigheden als werktempo, arbeidsritme, gevoel voor\n arbeidsverhoudingen, doorzettingsvermogen, nauwkeurigheid,\n zelfstandigheid, verzorgd uiterlijk.\n
\n\n Zogenaamde ‘21st century skills’ worden steeds belangrijker. Het gaat om\n vaardigheden als kritisch denken, creatief denken, probleemoplossend\n vermogen, informatievaardigheden en mediawijsheid.\n
\n\n Sollicitatievaardigheden gaan over de vaardigheden die een klant kunnen helpen\n bij het vinden van (on)betaald werk. Denk bijvoorbeeld aan vaardigheden op het\n gebied van: werk zoeken, gebruik van het eigen netwerk en de inzet van sociale\n media, het opstellen van het cv en motivatiebrieven en het voeren van een\n sollicitatiegesprek. Daarnaast kan er worden gedacht aan de persoonlijke\n presentatie van een werkzoekende klant, de persoonlijke hygiëne, kledingkeuze en\n haardracht.\n
\n\n Dit kenmerk richt zich erop dat de klant (meer branchegerichte)\n werkervaring opdoet. Ook zonder een diploma kan men namelijk\n competenties verwerven. Werkervaring kan ook via vrijwilligerswerk\n verkregen zijn.\n
\n\n \n In onderstaande figuur zijn de veertien klantkenmerken (roze vlakken) geplot op de\n onderdelen van\n het Integratieve Gedragsmodel.\n \n
\n\n \n Een instrument wordt met onderstaande praktische kenmerken beschreven. De kenmerken\n uitvoeringsvorm, werkwijze, onderscheidende aanpak, groep/individueel, toelichting\n doelgroep, voorwaarden deelname, samenwerkingspartners en aanvullende informatie\n zijn gegroepeerd te zien onder het kopje ‘Beschrijving’ van het instrument in Eva.\n \n
\n\n\n Een beknopte samenvatting van het doel en de werkwijze van het instrument\n
\nEen korte beschrijving van het doel van het instrument
\n\n De manier waarop het instrument wordt uitgevoerd; de activiteiten/werkzaamheden\n waaruit een instrument\n bestaat en de onderwerpen/modules die hierbij aan bod komen.\n
\nWat maakt het instrument onderscheidend?
\n\n Wordt het instrument in een groep en/of individueel aangeboden? Beide opties zijn\n mogelijk voor één\n instrument.\n
\n\n Een nadere beschrijving van de deelnemende doelgroep(en).\n
\n\n Een beschrijving van de voorwaarden waaraan een klant moet voldoen om deel te nemen\n en/of een instrument\n te gebruiken zoals:\n
\nRelevante partners die samenwerken met de aanbieder en/of uitvoeringsorganisatie.
\nEventuele bijzonderheden/aanvullende informatie.
\n\n Een beschrijving van de aanbiedende partij/leverancier van het instrument.\n
\n\n Waar het instrument wordt uitgevoerd: bij de aanbieder, de werkgever, de gemeente,\n de klant thuis, of een ander adres. Er kan een toelichting te zien zijn op de\n locatie.\n
\n\n De (werk)afspraken rondom het gebruik van het instrument met gemeenten/aanbieders.\n Bijvoorbeeld: Wie nodigt wie uit? Hoe verloopt het evaluatieproces? Wie begeleidt de\n klant? Hoe houdt de begeleider de klant op de hoogte?\n
\n\n Beschrijving van de aanmeldinstructies zodat de professional weet hoe een klant\n aangemeld kan worden bij de aanbieder (bijvoorbeeld middels een mail of code in het\n systeem). Indien een instrument een registratiecode heeft staat deze bij het\n instrument.\n
\n\n De contactgegevens (naam, telefoon, e-mail) van interne of externe contactpersonen.\n
\n\n Een instrument kan gericht zijn op (een) specifieke doelgroep(en). Er zijn acht\n standaard doelgroe- pen\n (zie hieronder). Daarnaast kan een gemeente/samenwerkingsverband maximaal acht extra\n doelgroepen hebben\n toegevoegd. De voorgedefinieerde doelgroepen zijn:\n
\n\n Belangrijk! Er is geen doelgroep ‘algemeen’. Hiervoor is bewust\n gekozen omdat de term ‘alge- meen’ verwarrend kan werken; is een algemeen instrument\n geschikt voor iedereen ínclusief alle doelgroepen, of juist geschikt voor iedereen\n behálve de specifieke doelgroepen? Om dit misverstand te voorkomen is geen doelgroep\n algemeen aangemaakt. Een instrument zonder doelgroep is dan geschikt voor iedereen.\n Een instrument met doelgroep is óók geschikt voor de desbetreffende doelgroep.\n
\nDe intensiteit van het instrument in hoeveelheid uur per week.
\nEventuele toelichting op de intensiteit.
\n\n Totale duur van de uitvoering van het instrument in\n uur/dag(en)/we(e)k(en)/maand(en).\n
\nEventuele toelichting op de duur.
\nDe totale kosten van het instrument in euro.
\n\n Eventuele toelichting op de kosten. Bijvoorbeeld qua kosten: Betreft het een\n indicatie? Verschillen de kosten per traject? Zijn de kosten inclusief of exclusief\n btw?\n
\n\n Hier kunnen linkjes, bestanden en filmpjes zijn toegevoegd. ‘Links’ zijn\n bijvoorbeeld verwijzingen naar externe websites, aan ‘downloads’ kunnen bijvoorbeeld\n pdf-bestanden zijn toegevoegd en via ‘video’s’ kan bijvoorbeeld YouTube filmpje zijn\n toegevoegd.\n
\n